Dressuur richtlijnen

//Dressuur richtlijnen
Dressuur richtlijnen 2018-01-02T19:06:16+00:00
  • De dressuur heeft de harmonische ontwikkeling van het organisme en van de natuurlijke eigenschappen van het paard ten doel. Het paard wordt daarbij levendig, gehoorzaam en kalm in zijn bewegingen gemaakt, waarbij een volmaakte harmonie met de ruiter tot stand komt.
  • Het doel van de dressuur waarbij het paard uiteindelijk een ‘happy athlete’ is geworden, wordt bereikt langs de weg van het ‘scala van de africhting’, die er als volgt uitziet:
    • Vertrouwensfase: takt (zuiverheid van de beweging), souplesse/ontspanning / losheid & aanleuning.
    • Ontwikkeling draagkracht: impuls, recht gerichtheid & verzameling.
      Geen van de zes begrippen kan los van elkaar worden gezien. Alle begrippen hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. De eerste drie criteria zijn vooral van toepassing op de B- en L-klasse. De overige criteria worden belangrijker naarmate de scholing van het paard vordert. Uiteindelijk wanneer alle bouwstenen optimaal verankerd zijn in het paard, zal het paard als vanzelf moeiteloos volkomen ontvankelijk zijn geworden voor alle hulpen van de ruiter. Dit noemen we Durchlässigkeit. Dit scala geeft de bedoelingen van het FEI-reglement volledig weer en hier zijn onze dressuurproeven op afgestemd. Het beeld van het goed gaande paard wordt tot uitdrukking gebracht door de zes principes van het ‘scala’. Dit scala geldt voor juryleden ook als leidraad voor de beoordeling. Geen van deze criteria mag ontbreken in een volledig geslaagde dressuurproef op hoger niveau.
  • Onder aanleuning wordt verstaan de gelijkmatige, elastische verbinding tussen paardenmond en ruiterhand, aangenomen door een nageeflijk paard dat de ruiterhand opzoekt en accepteert. Het paard toont geen enkele weerstand ten opzichte van zijn ruiter.
  • Bij buiging wordt in eerste instantie gedacht aan de lengtebuiging die het goed gereden paard dient te tonen bij het rijden van voltes, zijgangen, wendingen en figuren. De buiging die het paard kan tonen is afhankelijk van de graad van africhting op dat moment en op het betreffende niveau.
  • Er is ook nog een buiging in de gewrichten van de achterbenen. Hoe meer het paard tot dragen wordt gebracht (dat wil zeggen steeds meer lichaamsgewicht met de achterbenen draagt), des te meer gewicht wordt er dus ook overgenomen op de totale achterhand. Onder cadans verstaat men de kracht, het tactmatige, ritmische en harmonieuze van de beweging.
  • De halve ophouding die nauwelijks zichtbaar moet zijn, volgt uit een bijna gelijktijdig samengaande handeling van de zit, benen en de hand van de ruiter met het doel, de aandacht en het evenwicht van het paard te vermeerderen voordat zekere bewegingen of overgangen naar lagere of hogere gangen worden uitgevoerd.
  • Impuls is de benaming voor het doorgeven van een ijverige en energieke, goed gecontroleerde, stuwende activiteit, opgewekt vanuit de achterhand, die het atletisch vermogen van het paard benadrukt en welke onder controle is van de ruiter/amazone. Met andere woorden meer uitdrukking in de gangen.
  • Een paard is in de hand gesteld wanneer de hals, afhankelijk van de graad van africhting en de mate van verzameling in de gang, meer of minder opgericht en gewelfd is.
  • Jureren, c.q. het beoordelen van dressuurproeven, is een combinatie van theoretische kennis, eigen praktische ervaring, een positieve houding, objectiviteit, verantwoordelijkheid, gevoel hebben voor, alertheid en concentratie.
  • Mond- en/of tongproblemen: het knarsen van de tanden of het zo nu en dan uitsteken of omhoog trekken van de tong wordt als een kleine fout beschouwd. Daarentegen wordt het over het bit gooien of het langdurig uitsteken van de tong, als een grotere fout beschouwd.
  • Naast de lengtebuiging is er ook nog een opwaartse buiging. Hoe meer het paard is verzameld, des te groter is de opwaartse buiging in de gehele wervelkolom wat tot uiting komt in de opwaartse welving van de hals.
  • De passage is een zeer verkorte, verheven, sterk verzamelde en zeer gecadanceerde draf.
  • De piaffe is een zeer verzamelde, gecadanceerde, verheven, diagonale beweging, die de indruk geeft van een draf op de plaats.
  • Het rijden in stelling betekent dat door het geven van de juiste hulpen van de ruiter, het paardenhoofd iets naar links of naar rechts is gebogen. Bij het rijden in stelling blijven de hals en de romp van het paard recht gericht. De ruiter ziet één oog en de rand van één neusgat van het paard.
  • Het schouderbinnenwaarts is een oefening op 2 hoefslagen met 3 sporen. Het paard is licht gebogen om het binnenbeen van de ruiter. Het voorbeen aan de binnenzijde van het paard kruist voor dat van de buitenzijde. Het achterbeen aan de binnenzijde wordt voor het achterbeen aan de buitenzijde gezet. Het paard kijkt in de tegenovergestelde richting van de kant waar het heen gaat.
  • De travers is een oefening op 2 hoefslagen met 4 sporen. Het paard is met de achterhand naar binnen gesteld in de richting van de beweging. De voorhand blijft op de rechte lijn van de hoefslag, terwijl de achterhand op de 2e hoefslag wordt gebracht. Het paard is licht gebogen om het binnenbeen van de ruiter. De buitenbenen kruisen voor die aan de binnenzijde. De buitenvoeten komen daarbij voor en over de binnenvoeten. Het paard kijkt in de richting van de beweging.
  • De renvers is een beweging tegengesteld aan de travers, met de achterhand in plaats van het hoofd naar de omheining. Alle beginselen en voorwaarden die betrekking hebben op de travers gelden ook voor de renvers.
  • Appuyementen zijn bewegingen van het paard op 2 hoefslagen en kunnen worden uitgevoerd in de verzamelde draf en verzamelde galop. Het lichaam van het paard beweegt zich voorwaarts – zijwaarts en blijft daarbij nagenoeg parallel aan de lange zijde. Appuyeren is een variant van de travers, uitgevoerd op de diagonaal in plaats van langs de rechte lijn.

Onder wendingen om de achterhand zijn te rekenen: wending om de achterhand, keertwending, kwart pirouette, halve pirouette en pirouette.

  • De wending om de achterhand is een 1/4 cirkel met een straal gelijk aan de lengte van het paard, waarbij de voorhand om de achterhand draait. Het buitenbeen wordt daarbij voor het binnen achterbeen geplaatst wat fungeert als spilbeen.
  • De keertwending om de achterhand is een 1/2 cirkel met een straal gelijk aan de lengte van het paard, waarbij de voorhand om de achterhand draait. Het buitenbeen wordt daarbij voor het binnen achterbeen geplaatst wat fungeert als spilbeen.
  • De kwartwending om de achterhand is een 1/4 cirkel met een straal gelijk aan de lengte van het paard, waarbij de voorhand om de achterhand draait.
  • De pirouette (1/4, 1/2 en hele) is een cirkel met een straal gelijk aan de lengte van het paard, waarbij de voorhand om de achterhand draait.

Ritme, regelmaat en tempo zijn begrippen die onder de noemer takt zijn onder te brengen:

  • Regelmaat is het gelijk blijven in tijdsduur van de ondersteuningsmomenten van de benen van het paard en de gelijke paslengte behorende bij de betreffende beweging.
  • Ritme is de gelijkmatigheid van de beweging. Iedere pas beweegt even groot en is even lang.
  • Takt is de exacte regelmaat van de beweging; elke pas wordt in dezelfde tijdsduur en met dezelfde lengte uitgevoerd en heeft daarmee dezelfde bewegingsafloop.
  • Tempo is de snelheid van de beweging in alle gangen.

 

N.B. overal waar paard staat dient u paard/pony en waar ruiter staat dient u ruiter/amazone te lezen.